Luister naar Chopin, Nocturne no. 5


Ik zit lekker te tikken op een verder vrijwel verlaten bosweitje. In de verte blaft een hond. Overal blaffen wel honden in de verte, maar hier ga je er allerlei dingen bij denken. Want Wegrów ligt vlak bij:

Maar dat komt straks nog.

Ik mocht mijn Slowaakse bergweitje verlaten na de beheerder een biljet van zes gulden vijftig in de hand gestopt te hebben.. Die zal hij ongetwijfeld in eigen zak hebben gestopt. Corrupt ook nog, die Slowaken. Vriendelijke man verder.

Toen ik er aankwam, zag ik hoe op onregelmatige afstanden hoopjes verse aarde op het weitje lagen. Ik rook er eens aan. Het was vruchtbare Slowaakse aarde. ('O, mijn vruchtbare Slowaakse aarde, wat hou ik toch van jou,' zal het Slowaakse volkslied wel luiden.) Het lijkt wel of ze compost op dit weitje gegooid hebben, dacht ik nog. Terwijl het weitje me vruchtbaar genoeg leek. Maar de volgende morgen zag ik dat de hoopjes van vorm (niet van kleur!) veranderd waren. Ik had in een groot mollenveld gestaan.

En zo reed ik door bergdorpjes met nog echte blokhutten, sommige zelfs gezwaluwstaart, oude boerenvrouwen in soepjurk en met hoofddoekje (dát is de klederdracht) en boerenkarren getrokken door paarden die met rode kwastjes versierd waren.

Weer stonden er twee ooievaars te pikken op een weiland (Slowakije, Ons Èbegnes) (Nee, die g moet eruit: Ons Èbenes).

Toen moest ik toch echt de Hoge Tatra in, om naar Polen te gaan. Nu had ik een beetje moeite gehad om de Hoge Tatra te vinden. Tussen Tsjechië en Slowakije was ik over een bergrug getrokken die als Bile Karpaty werd aangeduid op de kaart. Terwijl de Karpaten toch een land verder liggen. En mijn Slowaakse bergweitje lag ingeklemd tussen de Mala Fatra en de Velka Fatra. Dat waren de Hoge en de lage Tatra niet, dat begreep ik ook wel. ('Wat zeg je? De Fatra? O, ik verstond de Tatra.')

Verder naar het oosten zag ik de Ná­zke Tatry op de kaart staan. Nu is mijn Slowaaks uiterst zwak te noemen. Met veel gebaren kom ik er vaak nog wel uit, maar je kan moeilijk in gebarentaal communiceren met een kaart. Want hij gebaart niet terug. Verder noordelijk stond in wel heel vette letters: TATRY. Op de grens met Polen. Maar ja, in het zuiden heb je het Národný park Nízke Tatry, en in het noorden het Tatranský národný park. En ik weet nog steeds niet wat národný betekent. Alles is národný, alle winkels zijn národný, je kan geen hoek omslaan (sorry) of er komt een národný op je af.

Door beide gebieden zag ik even weinig wegen lopen. Toen heb ik maar aangenomen dat de Hoge Tatra de grens met Polen vormt. En dat bleek ook zo te zijn. Gelukkig maar, anders had ik moeten zeggen: 'Tja, ik wou door de bergen gaan rijden, maar ik heb ze niet kunnen vinden.'

Er was eigenlijk maar éen doorgaande weg met een grensovergang, dus dat was makkelijk. En hoe hoger ik kwam, hoe meer toeristen ik zag. De weg was vrijwel verlaten op zaterdagmiddag, maar de dorpjes puilden uit. Geen motorrijders op de weg, wel in de dorpen, die hotels hadden met veel Tatra in de naam.

Weinig vergezichten, want de Hoge Tatra staat dicht onder de kerstbomen. Maar soms ook wel en dat was een mooi gezicht. Ik zou zeggen: Ga zelf eens kijken, je hoeft er niet meer naar te zoeken. Je moet die bergen hebben die de grens met Polen vormen.

Je kan ook met de bus. Tenminste, er waren veel bushokjes waar mensen op de bus stonden te wachten.

Over de grens was het asfalt slechter, Polen, hè, de bushokjes waren anders vormgegeven, maar ook die stonden vol mensen. Nu zijn de Poolse bussen van een andere makelij en kleur dan de Slowaakse, maar als je er op staat te wachten schijnt dat weinig uit te maken. Dáár zouden ze eens onderzoek naar moeten doen: Of het wat uitmaakt als je in het ene land in de bergen op een bus staat te wachten die niet komt, of als je in het andere land op een andere flank van die bergen staat te wachten op een andere bus die óók niet komt. Afijn. Die Polen leken wat actiever op hun bus te wachten. Ze stonden hem er vaak al te zien aankomen te wachten. (Ik weet niet of die constructie anders kan. Het moet wel, eigenlijk.)

De eerste stad in Polen was Zakopane. Nu had ik een idee van Polen (Het is allemaal vooroordeel. Je vormt je een beeld van een land op grond van de vaak schaarse berichtgeving en wat je er nog van weet - Áls je er nog wat van weet - van school, ook al is die informatie wel wat oud, inmiddels. Zo zijn de Tsjechen tragisch, de Slowaken achterlijk en gefrustreerd en de Polen zijn straatarme collaborerende antisemieten) dat niet zo gunstig was. Dus ik was op alles voorbereid bij mijn nadering van Zakopane. Veel stof, schurftige honden, diefachtige inwoners.

Al in de buitenwijken van Zakopane viel mijn beeld in stukken. Veel mensen op straat, redelijk goed gekleed, veel winkels. En hoe verder ik de stad in kwam, hoe drukker het werd. In het voetgangersgebied in het centrum was het een gedrang als was het de Kalverstraat op zaterdagmiddag. En allemaal toeristen. Poolse. Eettentjes bij de vleet. Mexicaans, Turks, Pools, noem maar op. Pools was niet zo gek, natuurlijk. Maar ik had nog geen geld. Ik ging op zoek naar een bank met een wonderloket, maar die was er niet. Maar er waren genoeg wisselkantoortjes. Ik gaf de meneer een briefje van honderd en ik verwachtte zo'n 15.200 zloty (spr.uit: zwottie; Pools is een soort spwaakgebwek) van hem terug te krijgen. Maar ik kreeg er maar 152. Werd ik meteen al belazerd? Ik besloot om de menigte toch maar in te duiken om te kijken of ik bezwendeld was en daarna zou ik hem door zijn loketje naar buiten trekken. Bij een restaurantje stonden prijzen bij onbegrijpelijke gerechten die duidden op zwendel. Zie je wel! Maar later, toen ik wat kalmer was, zag ik dat de plaatselijke munt toch 65 cent waard is. Pfoe, daar kwam ik goed weg. Anders had ik moeten vechten.

Waar zou ik eens heen gaan? Naar het noorden. Hm, weinig campings in Polen. Maar bij Kraków (nee, niet Krakau, zo noemen de Duitsers de stad. Wij hebben er geen naam voor, dus zeggen we gewoon Krakow, ja?) zag ik wel vijf campingsymbooltjes staan. Daar zou er toch één van moeten lukken.

Het was nog een heel eind naar Kraków. En het was behoorlijk druk op de weg. Ik bedoel, wat moet een Poolse vrachtwagen met zand op zaterdagmiddag op de weg naar Krakow? Zand dat bovendien uit zijn laadbak in mijn ogen waaide? En al die Polski Fiatjes 650? Die kwamen gewoon terug van een dagje in de bergen. Ze gaan niet hard, maar duiken braaf de berm in als ze gepasseerd worden.

Maar toen de bergen op waren, en ik door een golvende vlakte reed waar voornamelijk tarwe goudgeel stond te wezen, zag ik iets waardoor mijn hartje vol schoot. Die lieve Polen!

Dan is het nu tijd voor mijn verhandeling over hooi- en strobehandeling door de eeuwen heen in Europa en misschien wel ver daarbuiten.

Nu weten jullie het verschil tussen hooi en stro natuurlijk niet eens. Ik wel. Heb ik in Lintelo geleerd, tussen Varsseveld en Aalten. Jarenlang heb ik daar de hele zomervakantie doorgebracht, op een boerderij met alles: koeien, varkens, kippen, haver, gerst, rogge, tarwe, aardappelen en een bosje met frambozen, aalbessen en kruisbessen. En bramen langs de weg en bosbessen en cantharellen in het bos. (Bijna) Alles heb ik daar geleerd. Op school schreeuwden vriendjes, zoontjes van artsen vooral, dat je van neuken kinderen kreeg. Nu wisten wij niet precies wat neuken was, maar dat je daar kinderen van zou krijgen leek me toch wel erg sterk. Maar op de boerderij kwam de veearts om met een lange spuit met een lampje sperma bij een koe in te brengen. Dan mochten wij ook even kijken. En dan zag je de runderlappen zo liggen. En dan was het de bedoeling dat die koe drachtig werd. Nu was dat geen neuken wat die veearts deed, maar na enig nadenken kwam ik erachter dat 'bevruchten' ook op een andere manier kon dan door een veearts. Met de dochter van de boer heb ik nog geëxperimenteerd of het bij mensen ook zo ging, maar volgens mij kwam daar nog meer bij kijken. Ik vond de ons ter beschikking staande instrumenten absoluut onvoldoende. Dat deden we op de hooizolder. Daar ben ik weer. Buiten stond een bouwsel dat de hooiberg genoemd werd, maar er werd stro voor de winter opgeslagen.
Hooi is dus gemaaid en gedroogd gras. Stro zijn de stengels van tarwe, haver, gerst of rogge. En dat dat veredelde grassoorten zijn, moet je maar even vergeten.

Zoals jullie het verschil tussen hooi en stro niet wisten, zo wisten boerenjongens vroeger niet wat links en rechts was. Dat hadden ze niet nodig op de boerderij. (Ie het dizze kaant en ie het gunne kaant.) Dus als ze in dienst moesten leren marcheren, kregen ze in hun linker laars een bosje hooi en in hun rechter een bosje stro. (Hoe ze wisten dat ze dat hooi links moesten doen en dat stro rechts, weet ik niet.) Dan riep de sergeant: 'Voorwaarts, mars,' en: 'Hooi, strooi, hooi, strooi, hooi, strooi, hooi, strooi.' En dan marcheerden ze. En dertig jaar geleden (dertig jaar geleden alweer) moest ik als plaatsvervangend tamboer-maître van het Tamboerkorps der Intendance de kant op wijzen die ik ze wilde hebben als ik riep: 'Links om,' of: 'Rechts om.' Maar dat was nou net de andere kant als voor mij links of rechts was. Moeilijk hoor.

Maar goed. In Polen wordt nog met de zeis gemaaid, daarna wordt het koren tot iets opgebonden waarvan ik echt de naam niet meer weet. Je neemt twee armen vol en slaat er vier tot vijf stengels omheen waar je een soort knoop in legt. En vier tot acht van die dingen zet je tegen elkaar en zo heb je een korenschoof. Ik had al jarenlang geen korenschoof meer gezien.
En het met de zeis gemaaide gras wordt door de hele familie, ook of misschien wel juist in het weekend bijeengeharkt en tot oppers gestoken. Een hooiopper, jongelui, is een berg hooi dat op een soort driepotig krukje staat te drogen tot het de hooizolder op kan.

De hele ontwikkeling van de landbouw heb ik deze reis in omgekeerde volgorde gezien. Eerst de rollen hooi verpakt in wit of zwart (één keer heb ik turquoise gezien, dat was toch minder) landbouwplastic (dat het niet gaat broeien en/of rotten, snap ik niet), toen de onverpakte rollen hooi, toen de tot blokken geperste balen hooi, en toen de hooioppers en de boerenkarren met een paard ervoor om het hooi naar de boerderij te brengen.

En het graan? Eerst de maaidorsers (dat de halmen niet meer hoeven te drogen, snap ik niet), toen de tractoren, toen de zeisen. En de boerenkarren met een paard ervoor om het graan naar de boerderij te brengen waar het op de stroberg gelegd wordt om later gedorst te worden.

Goed, Polen, de graanschuur van Europa, dus. Maar ik was onderweg naar Kraków. De zon neeg al ter kimme toen ik de stad binnenreed. Op tal van bordjes werden een heleboel campings aangekondigd, maar even zo vaak hield die aankondiging een eindje verder op. Eén camping werd wel heel consequent aangekondigd en bewegwijzerd, camping Sport. Dat zal de slechtste wel zijn, dacht ik, als ze je er zo goed heen sturen. Op een bepaald kruispunt waren alle andere campings op. Alleen Sport stond nog daarheen. Ik reed half Kraków door, vreselijke stad, en kwam ineens in een vervallen buitenwijk terecht. Bij een tramhalte waar ik voor een stoplicht stond te wachten, keek een Pool mij met diepe haat in zijn blik aan. Ik reed langs een kerk die sterk deed denken aan het hoofdkantoor van de Gasunie. Ja, natuurlijk, bouwen hier nog kerken. Ze hebben zelfs een jongen van hun club als voorzitter van de bond (om het maar even in KNVB-termen te houden). Even verderop sloeg ik een haveloze zijstraat in. Aan de rand van een naargeestige parkeerplaats voor vrachtauto's (Poolkse vrachtauto's, die zijn nog naargeestiger) was een ruime tuin tot stadscamping ingericht. Een jongen met een ongure tronie zei dat er nog plaats was. Ja, alleen nog vlak voor de ingang van het sanitairgebouw, de helft van een verbouwde flat. Achter de met wat vale doeken beklede erfafscheiding stond het karkas van een Lada.

In het bijna-duister zette ik mijn tent op.

Vannacht struikelt natuurlijk de halve camping over mijn scheerlijnen, dacht ik.

Maar toen flitste er een halogeenlamp aan, die niet alleen de ingang van het sanitairgebouwtje goed verlichtte, maar ook mijn tent. De schaduwen van de WC-gangers tekenden zich grotesk (grotesk, waarom tekenen schaduwen zich toch altijd grotesk af?) tegen het doek van mijn tent af. Er was verkeerslawaai van de stad, Italiaanse kinderen speelden luid op de camping (ook weer een tautologie), er drensde een radio en om de sfeer helemaal authentiek Pools te maken ging er telkens als er iemand de camping in- of uitging dertig seconden een halogeenlamp aan, die recht in mijn gezicht scheen. Achter de bewaker in zijn hokje zat een dolle Duitse herder in een ren, die bij iedere passant gruwelijk aansloeg.

Alles was er: het zoeklicht, de honden, het hek. Alleen de wachttoren ontbrak, maar die kon ik er wel bij denken. Vergeten waren de schoven en oppers. Polen, dacht ik, gruwelijk Polen.

Na een fles Slowaakse wijn en een paar slokken Slowaakse vodka was ik verdoofd genoeg om te gaan slapen.

Ik was zondagochtend dus niet erg vroeg wakker. Om een uur of negen. De helft van de campinggasten was al gevlucht. De Italianen gingen even later luidkeels ter kerke. Ach, het viel allemaal wel mee. De jongen met de ongure tronie bleek uiterst vriendelijk bij het afrekenen. Een Pools meisje groette me vriendelijk en niet zonder koketterie.

Om elf uur was ik de laatste die vertrok, afgezien van een Pool die daar met een bungalowtent stond. Die moest blijven.
Op straat was het vrij druk. Men spoedde zich kerkwaarts. Ook iets wat ik in lange tijd niet meer op zo'n schaal heb gezien. Bij het verlaten van de stad zag ik allerlei bordjes: Camping + swimming pool en: Camping Galicija. Te laat.

Ik reed honderden kilometers door die graanschuur en zag in het ene dorpje mensen naar de kerk gaan en in het andere er weer uit komen. Ik sloeg van de doorgaande weg af om Warschau te ontwijken en toen reed ik honderden kilometers door bossen.

Een auto dwong me tot stoppen. Werd ik nu beroofd? Nee, hij wou me helpen, omdat hij me nogal gepuzzeld bij een stapel verkeersborden had zien staan. In Radom keek ik even of er een bank met een wonderloket was. Nee. 'Je kan die motor niet zo laten staan, hoor,' zei een meneer. 'Hier wordt alles...' en maakte een gebaar: Geklauwd.

'Welnee,' zei ik. Niemand steelt iets van een bepakte motor. Ook niet in Polen. En dat klopte.

Brok aan de Bug zou een camping hebben. Maar dat had Brok aan de Bug niet. Ik moest veertig kilometer terug. Godver. Als die camping maar wél bestond. Anders zou ik maar in de bossen gaan slapen. In dorpjes - zondagmiddag laat - was het pantoffelparade. De mooiste meisjes van het dorp liepen het breeduitst op de weg.

Ook in Treblinka. Toeval. Ik kwam erdoor omdat die ene camping niet bestond. Het ligt hier vlakbij. Ik sta onder de... Mag dat wel? Daarover later meer. Nu ga ik op excursie. Ik hoop dat het er heel stil is.
Reacties

Geen reacties

Reactie toevoegen


Woorden vet markeren d.m.v. *woord*, onderstrepen d.m.v _woord_.
Standaad emoticons zoals :-) en ;-) worden geconverteerd naar afbeeldingen.

Om het posten door robots tegen te gaan, gelieve de letters die je in het plaatje ziet over te typen. Je commentaar wordt enkel gepost wanneer de letters overeen komen. Je browser dient cookies te ondersteunen (standaard staat dit aan), of je commentaar kan niet geverifieerd worden.
CAPTCHA

 
 

Recente reacties

vrijdag, 13-07-2018
Fantastisch! Hulde!
vrijdag, 21-04-2017
Dus deze functie doet het nog wel! Verder is alles onbereikbaar geworden. Voor mij.
woensdag, 19-04-2017
Op het kruispunt LvM/Goudenregenstraat werd vroeger zo'n klapbord gebruikt. Ome agent was die paar maandagen dat ik met een cello op mijn rug dat kruispunt over moest (het schoolorkest bleek zelfs beneden mijn niveau, dus het bleef bij enkele maandagen) zo vriendelijk om alle verkeer stil te zetten zodat ik veilig oversteken. Als hij klaar was met zijn werk, tilde hij het bord uit het putje en legde het tot de avondspits in een van de voortuintjes achter de rododendrons.